Selecteer een pagina

HMS (hypermobiliteitssyndroom)

Om een idee te krijgen van het begrip hypermobiliteit kun je denken aan een persoon die zichzelf bijvoorbeeld op kan vouwen en in een koffer past. Deze personen zijn hypermobiel. Dit kunstje kunnen ze niet doordat hun spieren zo lenig zijn, maar vooral doordat hun gewrichten veel bewegingsruimte hebben. Dit komt door een afwijking in het bindweefsel. Door deze bewegingsruimte is er veel kans op bijvoorbeeld het uit de kom schieten van gewrichten. Dit noemen we luxaties. Bij hypermobiele mensen kunnen gewrichten ook een beetje “uit de kom” raken of zelfs “in de kom” een beetje verschuiven. Dit heet een subluxatie. HMS patiënten zijn meestal in staat zelf hun gewrichten weer op de goede plaats terug te zetten, dit heet met een mooi woord reponeren. Bij gezonde mensen wordt het skelet bijeengehouden door de verschillende banden, de gewrichtsbanden, bij HMS patiënten gebeurt dit door de spieren. Deze mensen moeten hun spieren dus niet alleen voor hun dagelijkse bezigheden gebruiken, maar ook om hun gewrichten “in de kom” te houden. Hierdoor zijn veel HMS patiënten oververmoeid, en hebben ze vaak last van secundaire fibromyalgie. Ook aandoeningen als artrose, bekkeninstabiliteit en het chronisch vermoeidheidssyndroom komen vaak voor als gevolg van de HMS. Het gebeurt regelmatig dat HMS patiënten een diagnose als FM of CVS/ME opgeplakt krijgen. Deze aandoeningen staan bij HMS patiënten echter niet los van HMS, maar zijn er een gevolg van. Niet iedereen die hypermobiel is heeft het hypermobiliteitssyndroom. Er zijn mensen die extreem lenig zijn die nergens last van hebben. Om HMS vast te stellen wordt de Brighton test gedaan.

Het lijkt een eenvoudige vraag:
“Wat is het verschil tussen HMS en EDS hypermobiel type?”. Het antwoord is echter minder eenvoudig. Waar HMS vaak (ernstig) onderschat wordt, wordt EDS altijd serieus genomen. Is dat terecht? Jarenlang is er gezegd dat HMS niet ernstig is, geen klachten hoeft te veroorzaken en over het algemeen geen echte aandoening is maar eerder een fysiek kenmerk. De laatste jaren komen veel artsen hierop terug. De theorie die momenteel wijdverspreid is bij artsen en wetenschappers die onderzoek doen naar EDS en HMS, is dat het verschil tussen HMS en EDS hypermobiel type “de mate van betrokkenheid van de huid is”. Simpel gezegd: Bij EDS hypermobiel type heb je een huid die sneller blauwe plekken krijgt, die rekbaarder is en zachter. Ook de wondgenezing verloopt slechter dan bij HMS.Toch is van beide aandoeningen bekend dat de huid in elk geval meedoet, in meerdere of mindere mate. Bovendien zijn er patiënten met EDS hypermobiel type waarvan de huid minder rekbaar is dan bij sommige HMS patienten. Ook de “sigarettenpapier-achtige” littekens komen bij beide aandoeningen voor, net als slechte wondgenezing en rekbaarheid van de huid. Dit is de reden dat in elk geval één vooraanstaand arts en onderzoeker op het gebied van bindweefselziekte’s, prof.dr. Rodney Grahame, vermoedt dat HMS en EDS hypermobiel type dezelfde aandoening zijn. Aangezien de genen die betrokken zijn bij HMS en EDS hypermobiel type nog niet zijn geïdentificeerd kan dit vermoeden niet bewezen worden.  Het is wel opvallend dat de ernst van de klachten vaak toeneemt en dat dit de reden is dat sommige patiënten eerst de diagnose HMS krijgen en later dediagnose EDS hypermobiel type. Aangezien de groep erfelijke bindweefselziekte’s symptomen hebben die elkaar overlappen zou men eerder moeten spreken van een familie van bindweefselaandoeningen met een glijdende schaal van diagnoses. Toch blijft dit speculatie zolang de verantwoordelijke genen nog niet in kaart zijn gebracht. Tot die tijd is de diagnose van HMS en EDS hypermobiel type klinisch en interpretatieverschillen zullen daardoor altijd blijven bestaan.

bron: www.hms-edsplatform.nl

Share This